Twee weken schreef ik al dat Cindy en ik dit voorjaar naar Nederland komen. Al sinds ik haar ken – en dat is inmiddels elf jaar – heeft ze het over de tulpenvelden. Ze wil ze zien, ervaren, ertussen lopen. Tot nu toe is dat er nooit van gekomen. Toen ik nog in Nederland woonde, kwam ze me bezoeken in de zomer of in de winter. En als we samen naar Nederland gingen, was dat meestal in de winter, vanwege de schoolvakanties in Singapore, of in september wanneer ik toch naar Europa moest voor een grote beurs in Dortmund.

Het schooljaar in Singapore loopt gelijk met het kalenderjaar. De lange vakantie is van half november tot begin januari. Dat maakt reizen in het voorjaar ingewikkelder. Maar juist omdat die tulpenvelden voor Cindy zo’n droom zijn, hebben we afgelopen september een bewuste keuze gemaakt. Cindy kwam toen niet mee naar Nederland. In plaats daarvan besloten we: we gaan in het voorjaar. Echt in het voorjaar.
Zonder Aqila, want die zit op school. En zonder Ashraf. Met z’n tweeën. We verblijven bij mijn lieve moeder in Wormer, met uitstapjes tussendoor. Een dag naar de Keukenhof, een weekje Texel en een paar dagen Denemarken. En ik vermoed dat Cindy naast de Keukenhof ook nog graag een fietstocht door Lisse wil maken, dwars langs de velden. Voor haar hoort dat er allemaal bij.
Zelf heb ik weinig met tulpen. Dat klinkt misschien ondankbaar of ongevoelig, maar dat heeft een reden. Als jonge tiener, zo ongeveer van mijn veertiende tot mijn twintigste, werkte ik iedere zomer in de Beemster als bollenraper. Een paar weken per jaar, in de zomervakantie. Keihard werken, maar relatief goed verdienen. Zes dagen per week, tien uur per dag. En elke dag op de fiets heen en weer.
Het werk zelf was allesbehalve romantisch. De hele dag op je knieën in de zon, met je handen in vaak keiharde, uitgedroogde aarde graaien. Je nagelbedden lagen altijd open. Tot ik op een gegeven moment op het idee kwam om mijn vingertoppen in te tapen met schilderstape. Dat scheelde iets, maar comfortabel werd het nooit. Het was geen leuk werk, maar wat ik in drie weken verdiende, verdienden mijn vrienden niet eens in zes weken met hun kantoorbaantjes via PDZ of andere uitzendbureaus. Dus je beet door.
Misschien is dat ook waarom ik nooit een echte tulpenliefhebber ben geworden. Ik weet hoe zwaar het werk achter die eindeloze kleurenvelden is. Ik weet wat ervoor nodig is voordat mensen er in het voorjaar foto’s kunnen maken en er dromerig doorheen kunnen lopen.
Toch zal ik dit jaar weer door een tulpenveld lopen. Niet als arbeider, maar als toeschouwer. Met mijn grote liefde, die deze velden eindelijk wil zien. Met een beetje mazzel zien we ze zelfs al vanuit de lucht, onderweg naar Nederland. En terwijl ik daar sta, tussen al dat kleurige optimisme, tel ik mijn zegeningen.
Ik hoef niet meer op mijn knieën om bollen te rapen. Ik hoef mijn vingers niet meer in te tapen. Mijn enige taak is simpel: heel veel foto’s maken van Cindy, tussen de bloemen waar ze al elf jaar van droomt.
